De oorsprong der soorten

De oorsprong der soorten - Darwins klassieke werk
"De oorsprong der soorten" is de afgekorte, meer gebruikelijke naam voor Charles Darwins klassieker "Het ontstaan der soorten van dieren en planten door middel van de natuurkeus, of het bewaard blijven van bevoorregte rassen in den strijd des levens". De Britse naturalist Charles Darwin (1809-1882) begon in 1842 met de eerste versie van zijn "Oorsprong der soorten", slechts zes jaar nadat hij terugkeerde van zijn vijfjarige reis aan boord van de HMS Beagle (1831-36). De "Oorsprong der soorten" werd zwaar beïnvloed door Sir Charles Lyells "Principles of Geology" (oftewel "Principes van de geologie", 1830-1833, een boek in drie delen) en Thomas Malthus' "An Essay on the Principle of Population" (oftewel "Een essay over het principe van de bevolkingsgroei", 1798). Darwins werk werd in 1859 gepubliceerd.

De oorsprong der soorten - Natuurlijke selectie
In "Oorsprong der soorten" introduceerde Charles Darwin het principe dat "natuurlijke selectie" wordt genoemd. Natuurlijke selectie is een natuurlijk proces waarmee kleine voordelige variaties in levende organismen worden behouden en geaccumuleerd. Stel je eens voor dat een lid van een bepaalde dierensoort een functioneel voordeel zou ontwikkelen (bijvoorbeeld: een reptiel ontwikkelde vleugels en leerde vliegen; een duidelijk voordeel ten opzichte van zijn niet-vliegende verwanten). Zijn nakomelingen zouden dit voordeel vervolgens erven en het zelf weer aan hun nakomelingen overdragen. Natuurlijke selectie zou dan het mechanisme zijn waarmee deze voordelige eigenschap wordt behouden. Natuurlijke selectie is in wezen het naturalistische equivalent van de kunstmatige selectie die door dierenfokkers wordt toegepast. Door de eeuwen heen hebben fokkers grote veranderingen binnen tamme dierenpopulaties tot stand gebracht door op bepaalde eigenschappen te selecteren. Op deze manier hebben zij gewenste eigenschappen geaccentueerd (gegeven het feit dat deze eigenschappen al in de genetische code van het betreffende dier aanwezig waren) en zelfs ongewenste eigenschappen na verloop van tijd geleidelijk onderdrukt of geëlimineerd. Het verschil tussen kunstmatige selectie en natuurlijke selectie is dat in het ene geval mensen beslissen waarop geselecteerd wordt, terwijl in het andere geval de natuur zelf selecteert.

Darwins waarnemingen waren uitstekend, maar hij trok hieruit een zwakke conclusie. Omdat natuurlijke selectie kleine variaties binnen dierenpopulaties kan en zal produceren, verwachtte hij dat het proces daarom ook de volledige biologische verscheidenheid op aarde kon verklaren. Hij concludeerde daaruit dat al het leven op de een of andere manier aan elkaar verwant moet zijn en dat alles zich uiteindelijk moet hebben ontwikkeld vanuit een gemeenschappelijke voorouder. "Het is een werkelijk wonderbaarlijk feit - en we zien de wonderbaarlijkheid ervan vaak niet omdat we er zo aan gewend zijn - dat alle dieren en planten door alle tijd en ruimte heen aan elkaar verwant kunnen zijn..."[1] Sommige Darwinisten suggereren zelfs dat deze gemeenschappelijke voorouder op de een of andere manier evolueerde uit niet-levende materie (een of andere "oersoep"). Nou, het idee dat vogels, bananen, vissen en bloemen allemaal aan elkaar verwant zijn en dat het leven zich heeft ontwikkeld uit niet-leven... mag indertijd, in de 19e eeuw, inderdaad wellicht plausibel hebben geleken. De moderne biologie stond nog in zijn kinderschoenen. Men dacht bijvoorbeeld dat de levende cel slechts een klonter protoplasma was. Gregor Mendell (1822-1884) was nog maar net begonnen met zijn erfelijkheidsonderzoek en pas rond 1860 ging Louis Pasteur (1822-1895) op zoek naar een manier om abiogenese als mogelijke verklaring te weerleggen. Maar dankzij het fundament dat door deze grote wetenschappers werd gelegd (beiden stonden afwijzend tegenover Darwins evolutietheorie) en dankzij de enorme vooruitgang die we in de afgelopen vijftig jaar hebben geboekt in de moleculaire biologie, de biochemie en de genetica, zijn de gebreken van Darwins theorie heel duidelijk aan het licht gebracht. We hebben bijvoorbeeld vastgesteld dat genetische barrières bestaan. Varkens zullen nooit vliegen! Jazeker, er bestaat een zekere mate van variatie. Er zijn verschillende huidskleuren, gelaatstrekken, oogkleuren, haartypes, enzovoorts. Je kunt een grote hond of een kleine hond hebben, een hond met lang of kort haar. Maar geen enkele hondensoort zal ooit iets anders dan een hond voortbrengen! Vogels en bananen zijn geen verre neven! Over het ontstaan van leven uit niet-leven (abiogenese) kunnen we zeggen dat de mechanismen relatief goed worden begrepen. Het komt neer op het volgende: bepaalde chemische beperkingen maken abiogenese onmogelijk.

De oorsprong der soorten - Henslows advies
Als je er ooit eens voor gaat zitten en Darwins "Oorsprong der soorten" leest, denk dan aan John Stevens Henslows (1796-1861) advies aan de jonge Charles Darwin. Henslow was een van Darwins professors aan de Universiteit van Cambridge. Toen Robert FitzRoy (1805-1865), de kapitein van de HMS Beagle, voor een zeereis op zoek was naar een naturalist, werd Darwin door Henslow aanbevolen. Voordat Darwin aan zijn reis begon, gaf Henslow hem het advies om Lyells boek "Principes van de geologie" mee te nemen. Lyells boek had een fundamentele invloed op de jonge Charles. Deze invloed is in Darwins werk gemakkelijk terug te vinden. Henslow gaf Darwin het volgende advies: "Je moet het zeker lezen vanwege de feiten, maar geloof de wilde theorieën in geen geval."[2] Wij willen jou dit advies ook graag meegeven. Lees het boek zeker vanwege de feiten, maar geloof de wilde theorieën in geen geval!

Lees nu verder!

1 Charles Darwin, On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life, 1859, p. 109.
2 Richard Milner, The Encyclopedia of Evolution, p.286.