Wetenschap en geloof

Wetenschap en geloof – De kennisgaten vullen
Wanneer het vraagstuk van wetenschap en geloof wordt besproken, is de standaard-aanname onder de knappe koppen tegenwoordig dat dit twee gebieden van het menselijke denken zijn die elkaar niet overlappen. Het ene gebied is de Natuur, waarin alles van zeesterren tot sterren is terug te brengen tot elementaire vormen van materie en energie. In dit gebied wordt zekere kennis verkregen door directe waarnemingen en de kracht van de rede en de wetenschap.

Het andere gebied is het Bovennatuurlijke, dat bevolkt wordt door zielen, geesten, God en alle andere dingen die voortkomen uit het menselijke voorstellingsvermogen en uit menselijke behoeften en verlangens. De kennis over dit gebied ligt buiten het empirische onderzoeksveld en is daarom vaag en onzeker.

Het eerste gebied is het domein van de Feiten, het tweede gebied het domein van het Geloof, en tussen de twee bestaat geen verbindingsweg. Maar dat is niet altijd zo geweest.

De oude Grieken geloofden in een zekere “oerbron” van harmonie die het universum, in al zijn verscheidenheid, als een samenhangend geheel had gemaakt (het woord “universum” bevat het idee “in de velen, één”). Door een algemene rationale structuur aan te nemen voor het menselijke denken en het universum veronderstelden zij dat de natuur en kennis een eenheid vormden. Men dacht dat zelfs de “onzichtbare dingen” kenbaar waren door de krachten van alleen de rede.

De vooronderstelling van deze eenheid hield stand totdat het “harde” empirisme vragen op het Empyreum begon af te vuren over de uiteindelijke oorzaak en afkomst van dit alles.

Wetenschap en geloof – Van eenheid naar splitsing
Toen wetenschap en geloof zich begonnen af te splitsen, leidde het vertrouwen op alleen de rede tot vele valse conclusies onder de Grieken over het universum: Ether, geocentrisme en spontane generatie, om er maar enkele te noemen. Het corrigeren van deze fouten moest nog meer dan een millennium op zich laten wachten, namelijk tot de introductie van de wetenschappelijke methode, waarmee het uitvoeren van experimenten werd toegevoegd aan de rationele analyse.

De nieuwe methode, gebaseerd op empirische waarnemingen, maakte het mogelijk om wetten en mathematische relaties te ontdekken waarmee de werking van het universum met een adembenemende nauwkeurigheid kon worden beschreven. En daarmee ontstond een nieuwe kennistheorie.

Geïnspireerd door het slaande succes van de wetenschappelijke revolutie concludeerden John Locke en George Berkeley dat de enige betrouwbare bron van kennis empirisch was. In tegenstelling tot de rationalisten uit de oudheid en uit de Middeleeuwen, die geloofden dat de cognitieve vermogens van het verstand voldoende waren om de ware aard van de dingen om ons heen te ontdekken, stonden Locke en Berkeley erop dat kennis voortkomt uit de zintuiglijke ervaring. Zij stonden erop dat het verstand als een blanco vel papier is, zonder een ingebouwde geordende architectuur. Onze zintuigen informeren ons verstand, en niet andersom. Met elke ontdekking van de wetenschap kwam het rationalisme steeds dieper in de schaduw van het emprisme te staan, totdat het uiteindelijk volledig overschaduwd werd door het “harde” empirisme van David Hume.

De onderliggende aanname van het empirisme van Locke en Berkeley was dat werkelijke kennis mogelijk was, zelfs over dingen die niet rechtstreeks voor de zintuiglijke perceptie toegankelijk zijn, zoals de natuurwetten en abstracte mathematische concepten zoals oneindigheid. Maar David Hume zei: “Nee!”

Volgens Hume hebben we geen toegang tot de natuurwetten: deze zijn noch bij de geboorte binnen in ons opgeslagen, noch in de hemel geschreven zodat we ze daar kunnen lezen. Het enige dat we hebben is een onophoudelijke stroom van ervaringen, van waaruit we associaties en relaties kunnen opbouwen die niet noodzakelijkerwijs enig verband houden met de werkelijkheid. Al hebben we de zonsopgang elke ochtend mogen waarnemen dat is geen garantie dat de zon morgen zal opkomen. Zonder toegang tot de werkelijke aard der dingen kunnen we slechts werkende aannames formuleren die ons kunnen helpen om onze levens in te richten. Hums “harde” empirisme schudde Immanuel Kant wakker uit zijn dogmatische dagdromen.

Om het rationalisme te redden van Humes woeste aanval, werd deze door Kant gesynthetiseerd met het empirisme; hij stelde voor dat het verstand is uitgerust met bepaalde vermogens die zin geven aan onze ervaringen. Deze synthese maakte de identificatie van wetten, zelfs morele wetten, volgens Kant mogelijk. Maar Kants bevrijding van de rede omvatte niet meer de aanname van de eenheid tussen wetenschap en geloof, zoals de vroege rationalisten dit hadden geformuleerd.

In het raamwerk van Kant werd de werkelijkheid gesplitst in de fenomenale wereld en de noumenale wereld. In de fenomenale wereld bevinden zich de dingen van het waarneembare universum, de Natuur;in de noumenale wereld de uiteindelijke oorzaken (de logos, het goede, God) en de ware aard van de dingen (ideeën, geest). Volgens Kant was zekere kennis alleen mogelijk in de fenomenale wereld.

Na verloop van tijd werd al het Bovennatuurlijke en de morele wet naar het domein van het “geloof” verbannen (waarmee Kant niet erg gelukkig zou zijn geweest). De resulterende splitsing tussen “feit” en “geloof” had een enorme invloed op de hoeders van de wetenschap. In beslag genomen door de anti-geestelijke houding van deze tijd probeerden zij de wetenschap te bevrijden van de ketenen van het geloof door het bereik van de wetenschap te beperken tot “natuurlijke” verklaringen. Het resultaat was het wetenschappelijk materialisme.

Maar zoals we zullen zien, is de materialistische wetenschap verre van geloofsvrij.

Wetenschap en geloof – Geloof tot op het diepste niveau
De splitsing tussen wetenschap en geloof komt op het volgende neer: de materialist gaat uit van het geloof dat “de natuur het enige is wat er is”. Het woord “geloof” geeft aan dat dit iets is wat niet wetenschappelijk bewezen is. Sterker nog, deze fundamentele propositie is noch wetenschappelijk bewezen, noch wetenschappelijk bewijsbaar: omdat alleen natuurlijke verklaringen zijn toegestaan, is de materialistische wetenschap afhankelijk van juist die premissen die deze probeert aan te tonen. Net zoals alle levensbeschouwingen, is het wetenschappelijk materialisme gebaseerd op een geloofsovertuiging. Maar dat geloof is niet beperkt tot het fundament van het wetenschappelijk materialisme; het heeft ook betrekking op de rest van het “bouwwerk”.

Denk eens aan een van de meest vertrouwde, en eenvoudigste, eigenschappen van de natuur: zwaartekracht. Net als engelen, de hemel en God, kunnen we de zwaartekracht niet zien, ruiken, proeven of aanraken. Natuurlijk voelen we een aantrekkingskracht tot deze aarde, maar we “voelen” ook een aantrekking naar boven. Zelfs de meest succesvolle zwaartekrachttheorieën zijn geen verklaringen, maar slechts beschrijvingen die enorm van elkaar kunnen verschillen.

In één zekere beschrijving wordt de zwaartekracht uitgelegd als een onzichtbare kracht, die verband houdt met materie en die door wie-weet-wat wordt overgebracht. Sommigen zeggen dat dit door zogenaamde gravitonen wordt gedaan. Dit zijn hypothetische deeltjes die nog nooit zijn geïsoleerd, waargenomen of gemeten, maar desalniettemin gelegen vervangers zijn van onze onwetendheid. En over materie gesproken: niemand weet waarom de zwaartekracht zo dol is op materie, maar niet op andere dingen, zoals fotonen.

In een andere voorstelling is de zwaartekracht geen kracht, maar de topografische tijd-ruimte die gevormd wordt door de aanwezigheid van materie. Zoals een bepaalde natuurkundige het verwoordde: “Materie vertelt ruimte hoe te buigen en ruimte vertelt materie waar naartoe te gaan.” Opnieuw is de vraag: waarom heeft materie dit effect, maar niets anders? Niemand heeft een antwoord. En nog fundamenteler: wat was er eerst, materie of ruimte? Als er eerst ruimte was, had deze dan geen vorm? En als er eerst materie was, nam het dan geen ruimte in? Deze vragen lijken een beetje op een hond die zijn eigen staart najaagt. Het is een eindeloze cirkel.

Dat wil niet zeggen dat de formuleringen van deze theorieën niet bruikbaar zijn. Integendeel, deze hebben al tot vele vooruitgangen geleid in dit ruimtetijdperk. Maar toch zijn gravitationele fenomenen die we waarnemen, en de wetten en vergelijkingen waarmee zij beschreven worden, onafhankelijk van hun verklaring en hun uiteindelijke oorzaak. Of de baan van de aarde nu het gevolg is van een onzichtbare kracht, een afwijking in onze ruimte-tijd dimensie of de leidende hand van die Ene in wie “alle dingen hun bestaan hebben”, onze waarnemingen en mathematische beschrijvingen worden daardoor niet beïnvloed. De verklaring die we aanvaarden is een uitoefening van ons geloof, niet een bewijs van een feit. Hetzelfde geldt voor de alledaagse krachten van het magnetisme en de electriciteit.

Wanneer we nog dieper gaan kijken, op het niveau van de subatomaire afmetingen, dan treden we een domein van puur geloof binnen. Quarks, elektronen en muonen, en de nucleaire krachten waardoor deze bestuurd worden, zijn volkomen vreemd aan onze dagelijkse ervaringswereld. En de oneindig kleine afmetingen van dit domein maken een rechtstreekse waarneming onmogelijk. Alles wat we “weten” is afkomstig uit experimenten die zijn uitgevoerd in deeltjesversnellers, d.w.z. uit “atoombotsingen”.

Laten we eens een bruikbare vergelijking proberen te verwoorden: stel je voor dat je een stalen doos met een machinegeweer doorzeeft en dan probeert om het oorspronkelijke, onbekende object in die doos in elkaar te zetten met behulp van al het versplinterde materiaal. Omdat we niet weten wat deze kanonnade met het object in onverstoorde toestand heeft gedaan, is onze reconstructie gebaseerd op gevolgtrekkingen. Hetzelfde geldt voor onze voorstellingen van de atomaire wereld, waarbij dit bovendien nog eens gemengd wordt met een zekere dosis fantasie.

Er bestaat bijvoorbeeld een hele categorie spul in het kwantumdomein dat “virtueel” wordt genoemd. Dit zijn onder andere nucleaire deeltjes en fotonen die nog nooit zijn ontdekt en die zelfs niet bestaan behalve als etherische abstracties in de gedachten van natuurkundigen, zodat zij bepaalde fenomenen kunnen bevatten die zonder deze abstracties niet bevat zouden kunnen worden.

Zelfs het kwantumveld, waarvan men zegt dat dit de volledige vernietiging van materie voorkomt door te voorkomen dat de negatief geladen elektronenwolk zich mengt met de positief geladen atoomkern, is niets meer dan een duur woord voor een fenomeen (de stabiliteit van materie) dat in materialistische zin onverklaarbaar is.

Wetenschap en geloof – Een kwestie van levensbeschouwing
Wetenschap en geloof bestaan daadwerkelijk zij aan zij. Van de kosmische schaal van de zwaartekracht tot de microscopische schaal van het atoom, wordt de wetenschappelijke kennis onderbouwd door geloof: het geloof in materialisme. Nergens wordt dat openhartiger uitgedrukt dan in de woorden van evolutionair bioloog Richard Lewontin: “We kiezen de kant van de wetenschap ondanks de duidelijke absurditeit van sommige van haar stellingen, ondanks haar falen om vele van haar extravagante beloften waar te maken... omdat wij een vooraf vastgestelde toewijding hebben; een toewijding aan het materialisme.”

Voor mensen wier geloof niet aan het wankelen gebracht zal worden door duidelijke absurditeiten, heeft astrofysicus Robert Jastrow de waarschuwing “dat het verhaal zal aflopen als een slechte droom. Na hun laatste klim naar de top van de berg der ontdekkingen, ontdekken zij daar een groep theologen die daar al heel, heel lang op hun komst heeft zitten wachten.”

Leer meer!

Met dank aan Regis Nicoll. Dit artikel werd eerder gepubliceerd op www.breakpoint.org.

Regis Nicoll is een Centurion van het Prison Fellowship’s Wilberforce Forum. Hij is een columnist voor Breakpoint, Salvo Magazine en Crosswalk en schrijft voor de Prison Fellowship’s blog, The Point. Hij publiceert verder een wekelijks commentaar over hedendaagse actuele onderwerpen.