God heeft het gedaan

God heeft het gedaan – Een argument gebaseerd op onwetendheid of bewijs?
“Maar door de eeuwen van onderzoek heen hebben we geleerd dat het idee 'God heeft het gedaan' ons begrip van de natuur nooit heeft vergroot en dat is waarom we dit idee hebben achtergelaten.” (Jerry Coyne)

In een recente verhandeling in "The New Republic" stelt evolutionair wetenschapper Jerry Coyne de volgende vraag: “Is de empirische aard van de wetenschap tegenstrijdig aan de openbarende aard van het geloof? Zijn de kloven tussen deze twee instellingen zo groot dat zij in essentie als antagonistisch moeten worden beschouwd?” Coyne twijfelt er niet aan dat het antwoord op deze vraag “ja” is.

Godsdienst is zo hopeloos schadelijk voor de wetenschappelijke vooruitgang dat elke poging om deze twee zaken met elkaar te verenigen zinloos is. Coyne legt uit: “Als je zowel de wetenschap als het conventionele geloof aanvaardt, dan heb je een dubbele standaard.” En om duidelijk te maken met welke godsdienst hij werkelijk een probleem heeft, voegt Coyne hieraan toe waarom deze standaard dan dubbel zou zijn: “rationeel wat betreft de oorsprong van het stollen van bloed; irrationeel wat betreft de opstanding; rationeel wat betreft dinosauriërs; irrationeel wat betreft maagdelijke geboorten.”

God heeft het gedaan – Een hindernis voor de wetenschap?
Is het idee 'God heeft het gedaan' überhaupt wel toegestaan in de heersende wetenschappelijke gedachte? Hoewel opgehemelde wetenschappelijke instituten, zoals de National Academy of Sciences, in het openbaar beweren dat geloof en wetenschap niet met elkaar botsen, geloven zij heimelijk dat godsdienst een hindernis voor de wetenschap is. Het doel van hun openbare façade, zo laat Coyne ons weten, is niets anders dan het vertrouwen behouden van de algehele bevolking (die overweldigend religieus, en zelfs vaak Christelijk is), en daarmee dus ook het behouden van de publieke geldstroom.

Volgens deze verlichte wetenschappers zal een gelovige, wanneer hij een nieuw front van wetenschappelijke kennis bereikt, altijd tevreden zijn met de conclusie 'God heeft het gedaan!' Ondertussen worden onderzoeken, die vanwege hun eigen geloof in wetenschappelijk materialisme een doodlopende steeg blijken te zijn, niet nader onder de loep genomen. Denk bijvoorbeeld aan de premature aanduidingen van “rudimentaire” organen en “junk” DNA.

In tegenstelling tot de moderne kritiek is het zo dat de wetenschapper die de wereld benadert als een product van een intelligente bron, in plaats van materie en beweging, juist minder snel zal opgeven in zijn zoektocht naar nieuwe ontdekkingen. In plaats van een bepaald fenomeen aan de kant te schuiven als dat in eerste instantie nutteloos, onnodig of zelfs mysterieus lijkt te zijn, is juist hij meer geneigd om dieper te zoeken om de werkelijke functies en doelen ervan te ontdekken.

Het Christendom heeft daarom de wetenschap niet gehinderd, maar heeft – dankzij de nadruk op een persoonlijke Schepper - een tijdperk van ontdekkingen ingeluid die de weg voor de wetenschap heeft gebaand.

God heeft het gedaan – De prikkeling voor wetenschappelijke ontdekkingen
In de oudheid geloofde men dat de wereld een onvoorspelbare plaats was die werd bestuurd door het noodlot of de grillen van de goden. Maar zodra onderzoekers het universum begonnen te zien als een schepping – het werk van een rationele God en doordrongen van rationele principes - durfden zij zich voor te stellen dat ontdekkingen werkelijk mogelijk waren. Een van de eersten was een astronoom wiens theorieën een vonk waren voor de wetenschappelijke revolutie.

Speculaties over een heelal dat rond de zon zou draaien bestonden al een tijdje, maar uitdagingen van het Aristotelische model, dat door Ptolemeüs werd verfijnd, kregen geen serieuze aandacht tot de “Copernicaanse Wending” in de 16e eeuw.

Nicolaus Copernicus was een Christen die het universum beschouwde als een begrijpbare schepping, die functioneerde volgens mathematisch samenhangende principes. Zijn aanvankelijke aantrekking tot het heliocentrisme was niet het gevolg van nieuwe waargenomen data, maar van zijn idee dat de zon – symbolisch voor God als het Licht en de Lamp - een gepast centrum leek voor Goddelijke activiteit. Hij – en andere vroege onderzoekers - geloofde dat de elegante structuur van de schepping ook op een elegante manier beschreven zou moeten kunnen worden. Toen het heliocentrisme mathematisch eenvoudiger bleek dan het heersende model met de aarde als centrum, kreeg het langzaam maar zeker meer aanhangers.

Johannes Kepler was, net als Copernicus, een gelovig mens. Hij geloofde dat de mysteries van de natuur ontsloten zouden kunnen worden met de sleutel van de mathematica. Kepler zei het als volgt: “Het hoofddoel van alle onderzoeken van de externe wereld zou de ontdekking moeten zijn van de rationele orde en de harmonie die erop zijn opgelegd door God en die Hij aan ons in de taal van de mathematica heeft geopenbaard.”

Keplers geloof in de wiskundige precisie van het universum leidde tot zijn ontdekking van drie fundamentele wetten van de planetaire bewegingen. De belangrijkste hiervan was dat de baan van planeten elliptisch is, en niet cirkelvormig zoals de modellen van Copernicus beweerden.

Terwijl de ontdekking van deze mathematische elegantie het product was van het geloof van deze pioniers, is het voor anderen een aanzet tot geloof geweest. In zijn boek "Truth Decay" (oftewel: “Het verval van het geloof”) deelt Douglas Groothuis het verhaal van een Russische natuurkundige: “Ik was in Siberië en ontmoette God daar toen ik aan mijn vergelijkingen werkte. Ik realiseerde mij plotsklaps dat de schoonheid van deze vergelijkingen wel een doel en een achterliggend ontwerp moesten hebben. Ik voelde diep in mijn geest dat God via deze vergelijkingen tot mij aan het spreken was.” Op dat moment overbrugde deze jonge wetenschapper de kloof tussen atheïsme en theïsme en, uiteindelijk, het Christendom.

God heeft het gedaan – Op de schouders van wetenschappelijke reuzen
Christenen die de wetenschap gebruikten om te laten zien dat “God het heeft gedaan” bleven tot diep in de 19e eeuw de voorhoede vormen van de wetenschappelijke ontdekkingen. Belangrijke doorbraken op het gebied van elektromagnetisme, microbiologie, geneeskunde, genetica, scheikunde, atoomtheorie en landbouw waren het gevolg van het werk van mannen als John Dalton, André Ampère, Georg Ohm, Michael Faraday, Louis Pasteur, William Kelvin, Gregor Mendel en George Washington Carver — allemaal gelovigen wier prestaties een praktische uitwerking waren van hun Christelijk geloof.

Zij waren wetenschappers in de ware zin van het woord. Zij volgden het bewijs waar het ook naartoe mocht leiden. Zij benaderden de gaten in ons begrip van het universum niet met de berustende gedachte “God heeft het gedaan!”, maar met de zekere verwachting “God heeft het geschapen!”

Of zij zich ervan bewust zijn of niet, elke wetenschapper – inclusief Jerry Coyne - staat op de schouders van deze wetenschappelijke reuzen. Zoals de Duitse natuurkundige Ernst Mach ooit erkende: “Elke onbevooroordeelde geest moet toegeven dat het tijdperk, waarin de belangrijkste ontwikkelingen van de mechanische wetenschap plaatsvonden, vooral een theologisch tijdperk was.”

Leer meer!

Met dank aan Regis Nicoll. Dit artikel werd eerder gepubliceerd op www.breakpoint.org.

Regis Nicoll is een Centurion van het Prison Fellowship’s Wilberforce Forum. Hij is een columnist voor Breakpoint, Salvo Magazine en Crosswalk en schrijft voor de Prison Fellowship’s blog, The Point. Hij publiceert verder een wekelijks commentaar over hedendaagse actuele onderwerpen.