Darwins evolutietheorie

Darwins evolutietheorie - De premisse
Darwins evolutietheorie is het alom aanvaarde idee dat alle levende soorten aan elkaar verwant zijn en afstammen van een gemeenschappelijke voorouder; vogels en bananen, vissen en bloemen zijn allemaal aan elkaar verwant. Volgens Darwins algemene theorie ontwikkelde het leven zich uit niet-leven. De theorie benadrukt een puur naturalistische (ongeleide) "afstamming met modificatie". Dat wil zeggen, complexe wezens evolueren na verloop van tijd op een natuurlijke wijze uit eenvoudigere voorouders. In een notendop: wanneer willekeurige genetische mutaties optreden in de genetische code van een organisme, dan worden de voordelige mutaties behouden omdat ze de soort helpen voortbestaan. Dit proces staat bekend als "natuurlijke selectie". Deze voordelige mutaties worden vervolgens aan de volgende generatie overgeleverd. Na verloop van tijd stapelen de voordelige mutaties zich op tot er een volkomen ander organisme is ontstaan (dus niet slechts een variant van het origineel, maar een volledig verschillend wezen).

Darwins evolutietheorie - Natuurlijke selectie
Hoewel Darwins evolutietheorie relatief jong is, bestond het evolutionistische wereldbeeld zelf al in de oudheid. Griekse filosofen, zoals Anaximander, postuleerden een ontwikkeling van leven uit niet-leven en de evolutionaire verschijning van de mens uit dieren. Charles Darwin voegde slechts iets nieuws toe aan een oude filosofie, namelijk een plausibel mechanisme: natuurlijke selectie. Natuurlijke selectie dient om voordelige genetische mutaties te behouden en te accumuleren. Stel je eens voor dat een lid van een bepaalde soort een functioneel voordeel ontwikkelde (het groeide vleugels en leerde te vliegen). Zijn nakomelingen zouden dat voordeel erven en dit weer aan hun nakomelingen overdragen. De inferieure (benadeelde) leden van diezelfde soort zouden dan geleidelijk uitsterven, waardoor alleen de superieure (bevoordeelde) leden van die soort overbleven. Natuurlijke selectie gaat dus om het behouden van een functioneel voordeel dat de soort in staat stelt om in het wild beter te kunnen concurreren. Natuurlijke selectie is het naturalistische equivalent van de kunstmatige selectie die door dierenfokkers wordt toegepast. Door de eeuwen heen hebben fokkers grote veranderingen binnen huisdierpopulaties tot stand gebracht door op bepaalde eigenschappen te selecteren. Na verloop van tijd elimineren fokkers geleidelijk ongewenste eigenschappen. Op eenzelfde manier worden inferieure soorten na verloop van tijd door natuurlijke selectie geëlimineerd.

Darwins evolutietheorie - Langzaam maar zeker...
Darwins evolutietheorie is een langzaam en geleidelijk proces. Darwin schreef: "Natuurlijke selectie werkt alleen met kleine opeenvolgende variaties; zij kan nooit een grote en abrupte sprong nemen, maar moet voortschrijden via korte en zekere, maar langzame, stappen."[1] Darwin gaf daarom het volgende toe: "Als het bewezen zou kunnen worden dat er een complex orgaan zou bestaan, dat zich onmogelijk zou kunnen hebben gevormd door talrijke, opeenvolgende, kleine modificaties, dan zou mijn theorie absoluut ineenstorten."[2] Dergelijke complexe systeem hebben we tegenwoordig ontdekt. We noemen ze "onherleidbaar complexe" systemen. Een onherleidbaar complex systeem is een systeem dat is samengesteld uit meerdere componenten, die allemaal noodzakelijk zijn voor het functioneren van het systeem als geheel. Als ook maar een enkel onderdeel ontbreekt, zal het hele systeem niet meer functioneren. Elk individueel onderdeel is een integraal onderdeel.[3] Een dergelijk systeem zou dus niet langzaam, beetje voor beetje, kunnen evolueren. De gewone muizenval is een alledaags voorbeeld van onherleidbare complexiteit. Een muizenval bestaat uit vijf basiscomponenten: een klem (om het aas vast te houden), een krachtige veer, een dunne staaf (de "hamer"), een stang om de hamer mee te vergrendelen en een platform om de val op te bevestigen. Als een van deze onderdelen ontbreekt, dan zal het mechanisme niet werken. De muizenval is daarom "onherleidbaar complex"[4]

Darwins evolutietheorie - In een crisis
In het licht van de enorme vooruitgang die in de afgelopen vijftig jaar geboekt is in de moleculaire biologie, de biochemie en de genetica verkeert Darwins evolutietheorie in een crisis. We weten nu dat er op het celniveau feitelijk duizenden onherleidbaar complexe systemen bestaan. De microscopische biologische wereld is doordrongen van specifieke complexiteit. Moleculair bioloog Michael Denton schreef: "Hoewel de kleinste bacteriële cellen ongelooflijk klein zijn, en minder dan 10-12 gram wegen, toch is elk van deze cellen een geminiaturiseerde fabriek, die duizenden fraai ontworpen complexe stukken moleculaire machinerie bevat, samengesteld uit maar liefst honderdduizend miljoen atomen, veel gecompliceerder dan enige machine die ooit door de mens is gebouwd en absoluut zonder weerga in de niet-levende wereld."[5]

En we hebben geen microscoop nodig om onherleidbare complexiteit waar te nemen. Het oog, het oor en het hart zijn allemaal voorbeelden van onherleidbare complexiteit, hoewel zij in Darwins tijd niet als zodanig werden herkend. Desalniettemin bekende Darwin: "Om te veronderstellen dat het oog, met al zijn onnabootsbare composities voor het bijstellen van de scherpte aan verschillende afstanden, voor het toelaten van verschillende hoeveelheden licht, en voor het corrigeren van sferische en chromatische verschillen, gevormd zou kunnen zijn door natuurlijke selectie lijkt, dat beken ik eerlijk, absurd tot in de hoogst mogelijke graad."[6]

Onderzoek nu verder!

1 Charles Darwin, "On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life," 1859, p. 162.
2 Idem. p. 158.
3 Michael Behe, "Darwin's Black Box," 1996.
4 "Unlocking the Mystery of Life," documentaire van Illustra Media, 2002.
5 Michael Denton, "Evolution: A Theory in Crisis," 1986, p. 250.
6 Charles Darwin, "On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life," 1859, p. 155.