Anatomische homologie

Anatomische homologie - Een definitie
Homologie heeft betrekking op gemeenschappelijke karakteristieken in verschillende soorten organismen. Er bestaan grote verschillen tussen vleermuizen en vlinders, maar beide soorten hebben vleugels om te vliegen. Vleermuizen vliegen en walvissen zwemmen, maar de botten in een vleermuisvleugel en de botten in een walvisvin lijken sterk op elkaar. Net zoals "analogie" betrekking heeft op verschillende structuren die vergelijkbare functies uitvoeren, zo heeft "homologie" betrekking op structuren die op elkaar lijken maar verschillende functies uitvoeren. Vóór de komst van het Darwinisme werd homologie toegeschreven aan het bestaan van archetypen: biologische structuren die op elkaar lijken omdat zij reeds bestaande patronen volgen.

Maar Charles Darwin bood een andere verklaring voor homologie. Darwin veronderstelde dat vleermuizen en walvissen vergelijkbare botstructuren hebben omdat ze een gemeenschappelijke voorouder hebben, niet omdat ze op basis van hetzelfde archetype werden gebouwd (dit laatste impliceert dat het archetype ontworpen is en dus een intelligente oorsprong heeft).

Anatomische homologie - Kan de evolutieleer dit verklaren?
Het mag duidelijk zijn dat de gemeenschappelijk voorouder slechts één enkele "versie" van een bepaald orgaan had. De huidige "homologe" varianten zijn modificaties van deze oorspronkelijke versie. Als de evolutionistische uitleg van homologie correct is, dan moeten homologe organen met een gemeenschappelijke herkomst van een gemeenschappelijk voorouderlijk orgaan ook voortkomen uit een vergelijkbare embryonale bron; de embryonale bron van het orgaan in de gemeenschappelijke voorouder. Met andere woorden, als twee organen een verschillende embryonale bron hebben, dan moeten beide in hetzelfde organisme kunnen voorkomen (wat "conjunctie" wordt genoemd).

Naast het idee dat homologe structuren afkomstig moeten zijn uit vergelijkbaar embryonaal weefsel, dacht men dat zij ook via vergelijkbare groeiprocessen gevormd zouden moeten worden. Als de evolutieleer dus een adequate verklaring voor homologie wil bieden, dan moet aangetoond worden dat er een mogelijk pad bestaat waarlangs de huidige homologe vormen uit een gemeenschappelijke voorouder zouden kunnen zijn ontstaan. Dit impliceert niet alleen het bestaan van een gemeenschappelijke embryologische bron, maar ook het gebruik van een vergelijkbaar ontwikkelingsproces. Het probleem is dat organen en structuren van verschillende diersoorten vaak wel hetzelfde lijken (of sterk op elkaar lijken), maar zich feitelijk niet uit dezelfde structuur of dezelfde groep embryonale cellen ontwikkelen. Het is niet uitzonderlijk dat fundamentele structuren (zoals het spijsverteringskanaal) in verschillende dieren uit verschillend embryonaal weefsel gevormd worden. In haaien wordt het spijsverteringskanaal bijvoorbeeld gevormd uit de bovenkant van de embryonale buikholte, maar in kikkers wordt het gevormd uit zowel de boven- als de onderkant, terwijl het in vogels en reptielen gevormd wordt uit de onderste embryonale laag of het blastoderm.

Het is moeilijk voor te stellen waarom of hoe dergelijke ontwikkelingsprocessen op een drastisch verschillende wijze zouden evolueren, maar toch zouden leiden tot dezelfde morfologie, wat het hoofddoel van natuurlijke selectie is. Desalniettemin vinden sommigen de verschillende ontwikkelingsmechanismen van homologe structuren geen probleem voor de evolutietheorie. Zij zien het simpelweg als bewijs dat de ontwikkelingsmechanismen geëvolueerd zijn, terwijl de resulterende structuur hetzelfde is gebleven. Maar dat is duidelijk een cirkelredenering, die gestoeld is op de aanname dat de verschillende groepen met soortgelijke homologieën, maar met verschillende ontwikkelingsmechanismen, uit een gemeenschappelijke voorouder zijn voortgekomen.

Anatomische homologie - Conclusie
Het is duidelijk dat de verwachte harmonie tussen homologie en evolutie ontbreekt. De evolutietheorie kan geen verklaring bieden voor de ons nu bekende feiten van morfologische homologie. Daarom kan homologie niet meer gebruikt worden als bewijs voor evolutie. Daarnaast wordt de evolutietheorie nog verder ondermijnd door de tegenstrijdigheid tussen morfologische homologie en vermeende fylogenetische relaties; als de evolutieleer de homologie niet kan verklaren, dan zijn de feiten van de homologie in strijd met de evolutieleer. Vooral wanneer morfologische structuren (structuren die homoloog lijken en aanvankelijk werden gezien als bewijs voor een gemeenschappelijke voorouder) zich feitelijk ontwikkelen uit verschillend embryonaal bronmateriaal, is dat krachtig bewijs tegen een evolutionaire relatie tussen de betrokken organismen.

Leer meer!