Abiogenese

Abiogenese - Een korte geschiedenis
Charles Darwin concentreerde zich op de oorsprong van de verschillende levensvormen. Maar verschillende wetenschappers hebben geprobeerd om het principe van de evolutietheorie toe te passen op de eerste levensvorm. Hieruit is het idee van abiogenese voortgekomen. In 1924 opperde de Russische biochemicus Alexander Oparin het idee dat levende cellen, via een reeks chemische reacties, geleidelijk waren voortgekomen uit niet-levende materie. Volgens Oparin werden bepaalde gassen in de atmosfeer van de primitieve aarde getroffen door bliksem of andere energiebronnen, waardoor zij reacties aangingen en zo eenvoudige organische mengsels vormden. Deze mengsels zouden zichzelf dan vervolgens rangschikken en zo steeds complexere molecules vormen, zoals eiwitten. Deze molecules zouden zichzelf op hun beurt ook weer rangschikken en zo levende cellen vormen.

In 1953 werd Oparins hypothese op de proef gesteld door een experiment van Stanley Miller en Harold Urey, waarin zij de atmosferische toestand van de primitieve aarde probeerden na te bootsen. In hun experiment werd water onderin een kolf aan de kook gebracht en vervolgens samen met ammonia, methaan en waterstof door een proefopstelling geleid. Vervolgens werd een vonk van 50.000 Volt op dit mengsel losgelaten, waarna het werd afgekoeld en in een buis werd opgevangen. Toen Miller en Urey de resulterende teerachtige stof onderzochten, vonden zij een verzameling aminozuren, de bouwstenen van het leven.

Abiogenese - De problemen
Helaas waren Millers pogingen om de mogelijkheid van abiogenese (dat leven uit niet-leven kan voortkomen) aan te tonen geen eerlijke weergave van de mogelijke omstandigheden op de primitieve aarde. Het is duidelijk dat zuurstof al moet hebben bestaan, maar de aanwezigheid van zuurstof verhindert de vorming van organische mengsels. Ook al hebben wij een grote hoeveelheid zuurstof nodig om te overleven, toch hebben onze lichamen tegelijkertijd bijzondere aanpassingen nodig om die grote hoeveelheid zuurstof op een veilige manier te managen. In de jaren '50 namen onderzoekers aan dat er maar heel weinig zuurstof aanwezig was toen de aarde nog jong was. Maar later geologisch bewijs suggereert dat er in de vroege atmosfeer van de aarde al een aanzienlijke hoeveelheid zuurstof moet zijn geweest. Als de gassen, die volgens de tegenwoordige wetenschappers op de vroege aarde aanwezig waren, in de juiste verhoudingen worden gemengd, dan worden helemaal geen aminozuren gevormd.

Maar laten we eens veronderstellen dat Millers experiment een waarheidsgetrouwe nabootsing was van die oorspronkelijke toestand op de aarde. Zou dat de resultaten van het experiment dan bekrachtigen? Een ander probleem is dat dergelijke experimenten niet in staat zijn om het juiste soort aminozuren voort te brengen. Aminozuren bestaan als gespiegelde isomeren. Dat wil zeggen dat er linkshandige (L-vormige) aminozuren en rechtshandige (D-vormige) aminozuren zijn. Levende eiwitten bestaan uit linkshandige aminozuren, maar in simulaties zoals die van Miller wordt altijd een mengsel van links- en rechtshandige aminozuren voortgebracht, in ongeveer evenredige verhoudingen. Maar laten we eens aannemen dat er een of ander naturalistisch mechanisme zou worden ontdekt dat inderdaad de linkshandige vormen (die benodigd zijn voor leven) kan scheiden van de andere vormen. Dan zou het nog steeds onverklaarbaar zijn hoe deze L-vormige aminozuren de juiste rangschikking met de juiste verbindingen (peptideverbindingen) zouden kunnen verkrijgen om eiwitten te vormen. De kans dat er ook maar een enkel eiwit kan worden gevormd uit een oersoep die volledig uit L-vormige aminozuren bestaat, is enorm klein.

Maar laten we eens veronderstellen dat er niet alleen een naturalistisch mechanisme zou worden gevonden waarmee de linkshandige vormen kunnen worden gescheiden van de andere, maar dat er bovendien een soep zou worden ontdekt met een magisch vermogen om eiwitten te vormen. Er zijn honderden gespecialiseerde eiwitten nodig om een levende cel te vormen, die ook nog eens heel nauwkeurig gerangschikt moeten worden. We moeten bovendien ook nog DNA, RNA, een celmembraan en een groot aantal andere chemische stoffen voortbrengen; en dan hebben we het nog niet eens over de exacte posities die deze allemaal ten opzichte van elkaar moeten innemen om hun respectievelijke functies te kunnen uitvoeren.

Abiogenese - conclusie
Het mag duidelijk zijn dat de onwaarschijnlijkheden zich al snel opstapelen wanneer we uit het Miller-Urey experiment een levende cel willen verkrijgen via willekeurige materialistische processen. Daarom concludeert Dean Kenyon terecht het volgende: "Het is een enorm probleem. Hoe zou je in een klein, submicroscopisch gedeelte van een primitieve oceaan ooit al die honderden verschillende onderdelen bijeen kunnen brengen die nodig zijn om een zelfreplicerende levenscyclus voort te brengen?"

Leer meer!